Biografie M. Strormann

December 10, 2011

Hoofdstuk 1 – Mijn jeugd in vogelvlucht..

 

Iedereen schrijft boeken tegenwoordig, Dit terwijl nauwelijks nog Nederlands wordt gesproken..

Het begon ooit bij het begin, dampende vulkanische meren waar eenceligen elkaar verslonden, bij gebrek aan variatie. Het duurde miljoenen jaren voor er een behoorlijke hap op tafel stond, en dat dat alleen voor de sterkste, geen wonder dat Kanibalen de wet schreven, waarin later roofdieren het pleit beslechtten.

 

Toen ik op deze planeet afdaalde, was er al het een en ander gebeurd. Toch moesten wij het thuis vaak doen met gekookte aardappelen en een gesmolten margarine sausje. Onder invloed van een barbaarse geschiedenis was er een beginnende consumptie-maatschappij ontstaan, waar de puntjes nog op de i moesten worden gezet. Ik gaf daar weinig om, mijn wereld was het grote ‘buiten’, waar ik mijn avonturen beleefde en kennis opdeed van het leven in een economisch strategische stad. Het ‘Buiten” trok.

 

‘s Nachts droomde ik van andere werelden en grote vrijheid en kracht, overdag was het eten of gegeten worden. De zomers waren lang de straten leeg en autoloos, stoepbanden treinrails, vuil speelgoed, een plank een baseball bat. Voetbal werd gespeeld met tennisballen en kersbomenjacht was een jaarlijks fenomeen. Liefde bestond nog niet, en leven was eenvoudig, als je de autoriteit van je ouders wist te omzeilen. Zo worden anarchisten gevormd.

 

Op school waren jongens en meisjes gescheiden, jongens boven, de meisjes beneden, zoals in de maatschappij waar wij naar werden gevormd en de gang van zaken thuis. Ik keek echter niet naar beneden, maar uit het raam, waar vogels vrolijk fluitend van tak op tak sprongen en soms wat rondvlogen. Later kwam ik er achter, dat vogels de laatse dinosauriers zijn. Dat maakte mij toen weinig uit, ik wilde vrij zijn, net als deze kleine schijnbaar vrolijke dieren.

 

Ik was een spaarzaam, verlegen mannetje, erg gesteld op mijn eigen afgesloten wereldje, mijn wensen waren meest materieel, maar binnen de perken. Zo wilde ik graag een wapen. Ook beschikte ik over een zeepkist, een duw-autootje gemaakt van planken en kiderwagenwielen. Dus ruilde ik eens mijn zeepkist voor een defect jachtgeweer, dat een vriendje gevonden had in een geparkeerde vrachtauto. Later kocht ik van gespaard zakgeld een echt FBI pistool met klappertjes van die ronde rode plastic mini-bakjes met een kruid laagje. Ik droeg hem in mijn binnenzak en achtervolgde oudere verdachte mannen op de Schiedamse weg. Onderweg zocht ik de beschutting van portieken.

 

Andere grote liefdes waren langdurige winters met ijshutten, of lange zomers met oneindige verkennings tochten, honkbal kijken op Vreelust, waar Sparta speelde. We klommen over de hekken en lagen onder de grote tribune te kijken naar Hamilton Richardson, de Amerikaanse homerunner, die daar speelde. Een van de meest bezochte plekken was behalve de rivier de Schie, de Gilda snoepfabriek in de Spaanse Polder, waar afvalcontainers stonden vol met afgekeurd snoep, honderden kilo’s!

 

De geur van de Schie was die van dode vis en alg., het pondje naar de Beukelsweg werd met enorme houten klossen door de kapitein zelf naar de overkant getrokken, daar stapte je dan op lijn 1, die via Diergaarde Blijdorp en de Bergselaan naar het Lisplein reed. Wij stapten dan uit op de hoek van de Rodenrijselaan en leipen eerst naar de Bergweg waar Oma en Opa Pieterse woonden. Daar ontdekte ik al jong de stripboek verzameling van mijn oom Ben, Suske en Wiske, de Rode Ridder, Kuifje!

 

Suske en Wiske was de eerste stap naar mijn voorliefde voor Fantasy en Science Fiction, later gevolgd door de Horror van H.P Lovecraft en Clark Ashton Smith. Toen lezen een feit was ging ik iedere week naar de bibliotheek en las minstens drie boeken per week, tot de biliothecaresse mij zei, dat het tijd werd naar de volwassen afdeling te verhuizen, aangezien ik alles gelezen had. Lezen was mijn ding.

 

Behalve strips en SF las ik veel boeken over goochelen en bestudeerde het occulte, paranormale wetenschappen etc., mijn interesse ging verder uit naar de ingewikkelde Natuurkunde, Astronomie, gedreven door de Apollo lanceringen richting Maan. Ook de Prehistorische Biologie n.a.v. Darwin trok enorm, bij gebrek aan God en Vaderland. Ik heb nooit iets gehad met naties en ben ook nooit trots geweest op mijn Nederlanderschap, ben zonder geloof opgevoed en heb het ook nooit gemist.

 

Spangen was mijn wereld en perfect in balans tot de verhuizing naar Hillegersberg in 1968. De verandering was enorm, de mensen totaal anders, van standaard arm naar burgelijk bemiddeld en zuinig, In een klap werd mijn territorium verkleind van de wereld buiten naar mijn studeerkamer, waar ik mij twee jaar opsloot, tot ik via de gitaarlessen in contact kwam met Peter, een overijverige banjo speler die altijd lachte en door zijn strenge opvoeding al jong had geleerd te liegen en te bedriegen! In de zelfde tijd leerde ik Bert en zijn broers kennen, waarmee ik ‘s avonds voetbalde op Lommerijk.

 

Toen ik eens naar het ‘dorp’ trok om de duurdere Hliiegersbergenaars uit te checken.. Kwam ik bij Peter en op het plaatselijke schoolplein ontmoette ik Ronald en later Michel, de plaatselijke hashdealer.. Ik was al eens high geworden, eenmaal in het Hilton hotel op een schoolfeest met “Earth and Fire”, de top-40 band met Jerney Kaagman, en daarna thuis met Bert op weed van Everts broer Pieter Jan uit Slikkerveer, die zelf verbouwde. Dat was natuurlijk gras vergeleken met de latere Skunk en Sensimilia, maar toen zeer verhelderend. Op school kocht ik later in de garderobe hash uit Chitral, Pakistan, wat ik liefst puur rookte of waar ik thee van zette, aangezien ik roken vies vond, net als koffie en bier.

 

Ronald werd uiteindelijk mijn beste vriend, waarmee ik menig drug-gerlateerd avontuur mee beleefde, ook de meisjes in Hillegersberg waren gewillig en er werd volop geexperimenteerd met sex, heavy petting noemde wij dat, dus alles behalve neuken. We begonnen een lokale jeugdbende genaamd “Hills ’71”. Fietsten op opoe-fietsen in legerjasjes met Che op de achterkant getekend, met als voorbeeld de bekende foto uit Cuba. We speelden allemaal mondharmonica en blowin’ in the wind van Dylan, kraakten ongebruikte garages en containers en hielden daar onze dope en sex feestjes. Later ontdekten we de alternatieve Jongerencentra als Villa op de hoofdweg, Eksit op de Eendrachtsstraat, Cafe de Twijfelaar en de ‘Turk’, een keldertje onder Turks restaurant ‘Son Mezar’ op de Mauritsweg, waar gastarbeiders Turkse hash verkochten en rookten…

 

In de zelfde tijd waren wij met vier ‘Hills’ naar Epe op de Veluwe gefietst en hadden daar Joop en Peperzak uit Leiden leren kennen, en vooral Peperzak’s LSD, California Sunshine heette het spul, waar ik gelijk een enorme fan van werd en mijn vrienden met mij! Tegen die tijd waren we 15-16 jaar en waren de ‘Hills’ een grote bende geworden, een netwerk van dealers, opstandige jongens en chickies, die dat allemaal heel interessant vonden. Ouders belden elkaar op om te waarschuwen voor onze jongens en op schoolstonden we allemaal op de zwarte lijst. Wij waren jong slim en sterk, en vol met jeugdige overmoed. Ook in de plaatselijk jongerencentra werden we scherp in de gaten gehouden, maar de softe sociale werkers waren allen oude hippies, een soort die te lief waren en waar wij standaard een hekel aan hadden.

 

Muziek was ook een belangrijke invloed, de piraten vooral ‘Radio Caroline’. Een Engelstalige zender die ‘s avonds en snachts hele Lp’s draaide van bands als Jimi Hendrix Experience, the Who, The Grateful Dead. Ook de Canterbury scene trok ons, bands als Caravan, Gong, Egg, Kevin Coyne, Soft Machine, die in Nederland vrijwel onbekend waren trokken ons enorm. Lokaal waren Super Sister en Kayak favorieten, maar ook folk en blues trok, CCC inc. en de Hobo String Band. Internationaal was voor mijzelf vooral de Dead en de zwarte blues het summum van cultuur. Lightning Hopkins, Brownie McGee and Sonny Terry bijvoorbeeld, Delta Blues.

Op een gegeven moment werd de ‘Hills versterkt door Sam, een Indo, die erg goed blues speelde op zijn electrische gitaar. Ik maakte een deal met hem, hij leerde mij de blues en ik hem klassiek gitaar, wat ik al een jaar of 6 studeerde, we werden er allebei betere gitaristen van. Ik kwam in contact met de bottle-neck en open stemmingen, bijv. een gitaar in Em7, waar je dan alleen met de bottle-neck over heen hoefde te schuiven om de meest authetieke blues geluiden te produceren. Later kocht ik via Sam een oude Hofner basgitaar en leerde bas spelen. Dit alles gebeurde echter in de marge van ons overmatig druggebruik, de heroine had Rotterdam bereikt, en de jongeren centra maakten plaats voor diskotheken en louche nachtclubs, onze vriendinnen werden hoeren en wij junks. Onder invloed van de drugs en de kosten daarvan, werd crimineel gedrag gangbaar, en stelen, inbreken en berovingen waren aan de orde van de dag. Ikzelf raakte gespecialiseerd in het stelen van VW kevers met behulp van een broodmes, waardoor mijn horizon middels joyriding wred verbreed naar heel Nederland, Belgie en soms Duitsland.

 

Toch was het de gitaar en de muziek die wij maakten, die mij uiteindelijk weerhielden echt hopeloos verslaafd te worden, ik wisselde graag van drugs, tijdje speed, dan weer een paar maanden heroine, en altijd mijn voorliefde voor LSD, die mij weerhield van sleur, het sterkste element van oa. heroine-verslaving. Afkicken was ook nooit een probleem, dan speelde ik immers de mooiste blues en dacht aan mijn moeders uitspraak: ‘wie mooi wil zijn moet pijn lijden’. Dat gold kennelijk ook voor het leven van een muzikant. Dat ging ook wel fout, vooral bij de groten der aarde: Janis, Jimi en Brain waren al dood en mijn idool Peter Green was gek geworden van de LSD en tuinman geworden op een begraafplaats. Ikzelf vluchtte na een LSD-trip het land uit, weg van de heroine en de speed, weg van de neergaande spiraal, die iedereen richting een zekere dood zoog. Leven was mijn grootste kick, dus trok ik er met mijn gitaar op uit. Ondertussen was mijn 8 jaar durende klassieke gitaar studie achter de rug en ik had me voorgenomen nooit meer muziek van doden te spelen, en was zelf gaan zingen en liedjes gaan schrijven, acoustische folkpop songs en bluesgerelateerde rock. Straatmuzikant was mijn nieuwe roeping en liften de manier om de zon te zoeken, dat lukte na enige opstartproblemen, ik was erg verlegen als ik speelde, maar een lege maag doet wonderen. Binnen een maand zat ik aan de Costa del Sol in Spanje en speelde iedere dag op straat en had een redelijk inkomen, waar ik van naar Marokko reisde, tot twee keer toe, meestal in een jeugdhotel sliep en veel leuke vrienden maakte. Ik bleef daar 3 maanden, van januari tot maart 1977.

 

Ik werd verliefd op Conchita, een zigeunermeisje van 16, dat gespecialiseerd was in het stelen van toeristen, ook mijn vriend Maarten werd slachtoffer. Het was net de ochtend dat ik terug naar Nederland zou gaan, Ik leende haar de sleutel van de kamer die ik met Maarten deelde, om haar tas te halen. Zij ging er vandoor met al zijn geld, en liet mij smoorverliefd achter in Malaga, waar ik de hele dag depressief heb staan liften op weg naar Rotterdam. Ik dachte dat ik zes weken met haar had opgetrokken en LSD genomen, later bleek uit mijn kleine dagboekje, dat het om zes dagen ging!

 

Terug in Rotterdam 17 maart 1977, werd ik 21 en eindelijk volledig onafhankelijk lees: volwassen.

 

 (wordt vervolgd)

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: